Voorbij de zwarte doos: de professionalisering van ontzag

In november 2015 stond ik in de enorme zalen van het ACT Festival in Gwangju, Zuid-Korea, en keek ik naar Ryoji Ikeda’s Test Pattern [n.8]. Het was een meesterwerk van precisie: door stroboscooplampen verlichte streepjescodes die over de vloer schoven, waarbij geluid en licht op een manier werden gesynchroniseerd die zowel vreemd als subliem aanvoelde.

Maar als Business Director (STRP) keek ik niet alleen naar de pixels. Ik keek naar de spreadsheet die ze mogelijk maakte.

Visionaire projecten zoals die van Ikeda komen bij het publiek vaak over als magie. In werkelijkheid zijn ze het resultaat van een uiterst geavanceerde infrastructuur. Ze vereisen een ommezwaai die de sector van de mediakunst – die van oudsher geworteld is in de hackercultuur en ‘passieprojecten’ – maar moeizaam heeft weten te realiseren: de overgang van artistiek experiment naar professionele industrie.

De "Passievalkuil"

In 2015 bevond de sector zich op een breekpunt. De overheidsfinanciering in Europa liep terug, terwijl de ambitie van het werk (en de technologie die daarvoor nodig was) juist explosief toenam.

Tijdens het festival kwam ik bijeen met collega’s als Ana Ascencio (Mapping Festival, Genève), Ellen Pau (Microwave Festival, Hongkong) en Cedric Huchet (Stereolux, Nantes) om onze overlevingsstrategieën onder de loep te nemen. De conclusie was duidelijk:

  • De misvatting van de ‘speciale status’: te lang hebben we mediakunst behandeld als een ‘speciaal’ vakgebied dat bescherming nodig had, vaak ten koste van professionele normen. Door het te beschouwen als een ‘liefdeswerk’ hebben we onbedoeld de waarde van het werk zelf ondermijnd.

  • Het wankele midden: kunstenaars zaten klem tussen „DIY“ (creatief maar blut) en „commercieel“ (gefinancierd maar met concessies).

De oplossing: de netwerkcommissie

Het meest duurzame model was niet het vinden van één rijke donor, maar verspreid eigendom.

We hebben gekeken naar het voorbeeld van producent Juliette Bibasse en kunstenaar Joanie Lemercier. Hun werk, Blueprint, werd niet alleen door festivals ‘geboekt’, maar was ook een gezamenlijke opdracht van een netwerk bestaande uit onder meer STRP (Eindhoven), Sonar (Barcelona) en Nemo (Parijs).

Dit is de 'full-stack '-benadering van cultuur:

  1. Standaardisatie: Het systeem is ontworpen om overal te kunnen worden ingezet (modulaire code, standaardhardware).

  2. Coproductie: Geen enkel festival draagt het volledige risico van onderzoek en ontwikkeling.

  3. Levensduur: Het werk evolueert met elke nieuwe locatie, waardoor de levenscyclus en de inkomstenstroom worden verlengd.

Terugblik op 2026: waarom dit vandaag de dag van belang is

Terugkijkend vanuit 2026 waren de discussies in Gwangju vooruitziend. Praktijk „Fair Praktijk , die we in Nederland nu als vanzelfsprekend beschouwen, vond zijn oorsprong in deze ongemakkelijke gesprekken over geld, contracten en duurzaamheid.

We hebben geleerd dat professionalisering niet hetzelfde is als je principes verkopen. Het is de enige manier om een podium te bouwen dat stevig genoeg is om het gewicht van het sublieme te dragen. Als we ‘ontzag’ (het Ikeda-moment) willen, hebben we de ‘administratie’ nodig om dat te ondersteunen.

Jorge Alves Lino

Jorge Alves Lino-de Wit is een architect van culturele systemen die bestuursvormen als ontwerpmedium onderzoekt. Hij ontwerpt en bouwt flexibele organisatiestructuren die ervoor zorgen dat cultuur kan bloeien in het digitale tijdperk.

https://jorgealveslino.nl/
Vorige
Vorige

De tirannie van de standaardinstelling: een waarschuwing uit de beginjaren van het IoT-tijdperk