Bestuur als besturingssysteem | De evaluatie van de provincie Noord-Brabant

Context
In januari 2026 heeft onderzoeksbureau KWINK groep, in opdracht van de Provincie Noord-Brabant, een evaluatie uitgevoerd van de aanvraagprocedure voor de Subsidieregeling Hedendaagse Kunst Noord-Brabant – Paragraaf 1 Professionele Kunsten 2025-2028uit te voeren. Als directeur van een BIS-instelling en als succesvolle aanvrager in deze ronde werd ik uitgenodigd om feedback te geven op de procedure.

Wat volgt is een reconstructie van die input – een dialoog tussen het bestuurlijke kader en de culturele realiteit. Het fungeert als een diagnose van het huidige „besturingssysteem“ van het provinciaal bestuur.

V: In de evaluatie wordt gevraagd naar het sterkste positieve aspect van de aanmeldingsprocedure voor 2025–2028. Op welke punten functioneert het systeem goed?

JAL: De interface zelf is gestroomlijnd. De afstemming op de nationale normen (OCW) op het gebied van documentatie verliep soepel, waardoor de administratieve lasten voor organisaties zoals de onze, die op stads-, provinciaal en staatsniveau actief zijn, zijn verminderd.

Cruciaal was dat er sprake was vande ‘menselijke maat’. In onze eerste aanvraag hadden we een kleine administratieve fout gemaakt. De commissie toonde aan dat ze in staat was om voorbij deze kleine fout te kijken en het voorstel te beoordelen op basis van de inhoudelijke meerwaarde, in plaats van het op een technische formaliteit af te wijzen. Die flexibiliteit is essentieel; het is wat een partner onderscheidt van een verwerker.

V: Waar gaat het proces dan juist mis?

JAL: Het lijdt onder een technocratische, bijna ‘boekhoudkundige’ mentaliteit. Het huidige model leunt sterk op een kwantitatief puntensysteem – punten per categorie. Hoewel ik begrip heb voor de wens om de verdeling van de financiering te depolitiseren, zijn we te ver doorgeschoten in de richting van een algoritmische aanpak.

Bestuur vereist een visie. Een provincie moet haar culturele ecosysteem vormgeven, en niet alleen maar controleren aan de hand van een spreadsheet. Door het proces te ontdoen van een kwalitatieve, strategische koers, lopen we het risico een landschap te creëren dat niet wordt bepaald door wat Brabant nodig heeft, maar door welke organisaties het budget hebben om de beste tekstschrijvers in te huren. Als het systeem beleidsvaardigheid beloont boven artistieke noodzaak, verliezen we juist de infrastructuur die we willen opbouwen.

V: U hebt de relatie met de provincie eerder omschreven als 'transactioneel'.

JAL: Precies. De huidige cyclus is: Aanvraag → Beslissing → Geld → Rapport. Het is een transactie.

Ik pleit voor een verschuiving naar een strategisch partnerschap. Vergelijk dit met de Raad voor Cultuur of OCW, waar toezicht een voortdurende dialoog is. In die systemen is de jaarlijkse evaluatie niet louter een controlemechanisme; het is een sparringgesprek tussen partners met verschillende rollen maar een gezamenlijk doel. Een aanvraag moet het logische resultaat zijn van vier jaar dialoog, en niet een risicovolle gok die elke cyclus afzonderlijk wordt genomen.

V: Welke gevolgen heeft dit voor de 'gebruikerservaring' van de aanvragers?

JAL: Er is een discrepantie tussen het medium en de boodschap. Voor de administratie is het versturen van een beslissingsbrief een praktische handeling – het afsluiten van een dossier. Voor de culturele organisatie is het een existentiële uitspraak. Een afwijzing betekent een crisis; een toelating betekent vier jaar zekerheid.

De communicatiestijl is kil. Het ontbreekt aan emotionele intelligentie. Een systeem dat bepalend is voor het levensonderhoud van honderden professionals zou moeten zijn ontworpen met empathie als uitgangspunt. Wanneer de ‘menselijke maat’ in de communicatie ontbreekt, komt het bestuur kil over en lijkt het los te staan van de realiteit in de praktijk.

V: U noemde ook belemmeringen op het gebied van inclusiviteit. Met name taal.

JAL: De culturele sector wordt gedreven door visuele denkers en neurodivers talent. Toch wordt de toegang tot middelen belemmerd door een muur van ondoorzichtig beleidsjargon. De tekst van de regelgeving was soms voor meerdere interpretaties vatbaar en te bureaucratisch.

Door een aanmeldingsprocedure te ontwerpen die puur uit tekst bestaat en juridisch zwaar is, sluiten we impliciet degenen uit die niet in lineaire, bureaucratische termen denken. Als we inclusiviteit echt hoog in het vaandel hebben staan, moet de vorm van de aanmelding veranderen. Waarom kunnen we videopresentaties of digitale portfolio’s niet als officiële onderdelen accepteren? We moeten ervoor zorgen dat het vermogen om een subsidieaanvraag te schrijven nooit zwaarder weegt dan het vermogen om cultuur te creëren.

V: Wat is je uiteindelijke aanbeveling voor de provincie Noord-Brabant?

JAL: Zorg voor interoperabiliteit. Als ‘nationale speler’ maakt mijn organisatie deel uit van een structuur die bestaat uit de gemeente, de provincie en de staat. Wanneer deze lagen verschillende definities hanteren van ‘kwaliteit’ of ‘inclusie’, leidt dat tot structurele wrijving.

De provincie zou moeten fungeren als de schakel die deze normen op elkaar afstemt. Bovendien zou zij moeten overstappen van een ‘waterval’-model (één grote deadline om de vier jaar) naar een ‘continuous integration’-model, waarbij de financieringsbeslissingen worden gebaseerd op een voortdurende dialoog. Zo bouw je een veerkrachtige, autonome culturele infrastructuur op.

Jorge Alves Lino

Jorge Alves Lino-de Wit is een architect van culturele systemen die bestuursvormen als ontwerpmedium onderzoekt. Hij ontwerpt en bouwt flexibele organisatiestructuren die ervoor zorgen dat cultuur kan bloeien in het digitale tijdperk.

https://jorgealveslino.nl/
Vorige
Vorige

De ontwikkelingsinstelling als spil in onderzoek en ontwikkeling

Volgende
Volgende

De bureaucratie van de waarschijnlijkheid